4en5mei-nijmegen.nl       Programma 2009
Het comité



Vrijheid en identiteit

Overweging ter gelegenheid van 4 Mei-herdenking door Leon Wecke

Sint Stevenskerk Nijmegen, 4 mei 2009

‘Vrijheid en identiteit’ is het jaarthema dat het Nationaal Comité 4 en 5 mei heeft gekozen. Identiteit betreft het wezen van iets of van iemand. Mensen hebben tal van identiteiten, variërend van man tot vrouw, van vader tot moeder, van fietsenmaker tot minister, van allochtoon tot autochtoon. De identiteit betreft als het om volkeren gaat veelal de religie, taal, geschiedenis, afkomst en etniciteit. Enerzijds zijn sommige kenmerken daadwerkelijk vast te stellen, anderzijds betreft het toegeschreven eigenschappen, beelden van de ander, die vaak meer zeggen over de houder van die beelden dan over die ander. Identiteiten spelen een belangrijke rol in gewelddadige conflicten. Zij lenen zich voor de presentatie van zondebokken voor problemen, waar de betreffende groepen of volkeren part noch deel aan hebben. U kunt dat proces navragen bij joden, zigeuners, homofielen en toenmalige fervente nationaalsocialisten, bij Tutsi’s en Hutu’s, bij moslims en Serven, en bij allochtonen én bepaalde groepen autochtone Nederlanders.
Alhoewel, identiteiten zijn veelal niet de hoofdoorzaak van het grote geweld in de wereld. Meestal gaat het bij grote gewelddadige conflicten, zoals oorlog, om primaire oorzaken van economische en politieke aard, gaat het om onderdrukking, uitbuiting, achterstelling, negatie, om het niet als volwaardig burger of mens erkend worden. Volksleiders, of beter volksmisleiders, weten dan via de breuklijnen van etniciteit, religie, gemeenschappelijke taal en geschiedenis de mensen tegen elkaar te motiveren en te mobiliseren, waardoor vreedzame buren elkanders moordenaar kunnen worden.
Het thema is ‘Vrijheid en identiteit’ en veronderstelt een relatie tussen die twee. Vrijheid behoeft geen toelichting, zo zou men kunnen denken. Vrijheid betreft immers het onbelemmerd jezelf kunnen zijn, onafhankelijk van anderen, zij het in gebondenheid met wet en regel. Vrijheid impliceert overigens ook: altijd rekening houden met de ander, de ander respecteren in zijn eigenheid, onafhankelijk van identiteit.
De vrijheid van de één is evenwel niet de vrijheid van de ander. Sommigen hebben de vrijheid hun bonus voor een keertje te weigeren en anderen hebben de vrijheid al dan niet naar de voedselbank te gaan. Maar toch, onze deels krakkemikkige vrijheid is waard om ervoor te strijden en is waard om er, al is het maar één dag per jaar, nadrukkelijk bij stil te staan.
Herdenken is met name onze dankbaarheid tonen aan hen die voor die vrijheid het hoogste offer hebben gebracht. Het impliceert eveneens een stil staan bij allen die door oorlogsgeweld het leven hebben gelaten. Maar óók het herdenken van het waarom en het effect van het offer dat bewust of onbewust door zo velen gebracht is.
Een probleem bij die waarom-vraag is dat je dan in bepaalde gevallen kunt begrijpen waarom mensen elkaar het meest onmenselijke aandoen, maar dat je dan tevens het verwijt kunt krijgen de betreffende misdaden daarmee goed te praten, terwijl het er juist om gaat te bevatten waarom gewone mensen meedoen in een praktijk waar ze uit zichzelf nimmer toe gekomen zouden zijn.
Onlangs luidde een teletekstbericht als volgt: “Er komen toch geen namen van Duitse militairen op een oorlogsmonument in Wehl. Uit de reacties blijkt dat de zaak zeer gevoelig ligt, zegt de plaatselijke oudheidkundige vereniging. Het voorstel om op het monument dertig Duitse gevallenen te vermelden, kwam van de vereniging zelf…..”.
Zijn die Duitsers eeuwig als vijand aan te merken? Heeft Goldhagen geen gelijk waar hij de misdaden van het Derde Rijk met name aan de aard, de identiteit van het Duitse volk wijt? Of moeten we zeggen dat onder bepaalde omstandigheden gewone mensen, daartoe deels gedwongen, onmenselijk gedrag vertonen, iets dat niet per definitie alleen uit de nationaalsocialistische ideologie voortkomt, maar vooral ook normale psychologische mechanismen tot grondslag heeft?
Als het om de Holocaust gaat, zijn Duitse soldaten, beter: de toenmalige volwassen Duitsers, ongetwijfeld mede schuldig. Het is onwaarschijnlijk dat ze niets hebben geweten van het lot dat de joodse medemensen trof. Maar door het Christendom werd al veel langer geleden de tot actie oproepende beschuldiging geuit dat joden de moordenaars van de Christus waren. Indertijd, toen de pest de late middeleeuwen verder verduisterde, kregen de joden de schuld van die plaag en werden, om maar iets te noemen, in 1349, hele joodse gemeenschappen in Arnhem, Deventer, Zutphen, Gouda en Utrecht uitgemoord. Wat is de oorzaak van de oorzaak, van de oorzaak?
Herdenken is soms verzoenen, heel soms vergeven en per definitie nooit vergeten. Door het waarom van de gebeurtenissen nogmaals aan de orde te stellen wordt alleen de kwaliteit van het herdenken bevorderd. Niet meer in zwart-witdenken, maar in de vele soorten grijs die in werkelijkheid het gedrag van veel mensen kenmerkt. Absolute standpunten vragen om nuancering, die vaak pas na verloop van veel tijd gegeven en geaccepteerd kunnen worden.
De tijd schept afstand: in de gevallenen van onze vrijheidsstrijd tegen de Spanjaarden en de Fransen heeft nog slechts een enkele historicus enige interesse. Dezer dagen heeft de Koepelorganisatie van het Voormalig Verzet laten weten dat zij zich opheft gezien het ver teruglopend aantal leden. Maar ook vér na ons zal één belangrijk monument ter ere van alle gevallenen in stand moeten blijven en dat monument is onze maatschappij, is een samenleving waarin vrijheid, ongeacht identiteit, voor een ieder zo volledig mogelijk is gewaarborgd, is een maatschappij, die we door middel van gelijke kansen voor een elk inhoud moeten geven, een maatschappij waarin we de vrijheid hebben het tegen al diegenen het op te nemen die menen dat de ene mens op basis van zijn identiteit een gevaar voor de ander is. De veronderstelling dat er Über- en Untermenschen zouden bestaan moet en kan, dankzij het offer van zeer velen, eeuwig naar het derde rijk der fabelen verwezen te worden.

---------------------------------------------------------



Lezing, uitgesproken tijdens de herdenkingsdienst in de St. Stevenskerk te Nijmegen op 4 mei 2008 door Carla van Baalen.

Dames en heren,

Als het 4 mei is, gedenken wij de doden. We herdenken alle slachtoffers van onvrijheid en rechteloosheid en hen die zich ingezet hebben voor de vrijheid.

Toen ik een kind was, vond ik dat moeilijk. We moesten thuis allemaal stil zijn, om 8 uur, en aan de doden uit de Tweede Wereldoorlog denken. Maar aan wie moest ik dan denken, ik had immers niemand gekend. Ik vroeg het mijn moeder. En als zij dan vertelde van een neef die op slag van de bevrijding was doodgeschoten door een Duitse soldaat, dan ging het beter. Dodenherdenking is géén abstracte bezigheid.

In de loop der tijd ging ik 4 mei de belangrijkste nationale gedenkdag vinden. Ik ben er persoonlijk meer aan gehecht dan aan de andere dagen waarop Nederland als natie iets viert of gedenkt. Het spreekt mij dan ook bijzonder aan dat in het gebouw van onze volksvertegenwoordiging in Den Haag het in zekere zin elke dag 4 mei is. Beroepshalve kom ik vaak in de Tweede Kamer en ik ga dan – als het even kan – altijd kijken. Naar het dikke boek bij de ingang van het Binnenhof waarin duizenden namen staan van hen die in de oorlog zijn omgekomen. Elke dag wordt daar een bladzijde van dat dikke boek omgeslagen zodat er elke dag andere namen zichtbaar zijn.

Ik vind dat zo mooi omdat het gedenken niet is weggestopt of een plaats in de marge heeft gekregen maar op een opvallende plaats aanwezig is. Want er is altijd het gevaar dat we gebeurtenissen die we achter de rug hebben gaan vergeten.

Maar het is van essentieel belang dat wij ons realiseren, dat wij ervan doordrongen zijn dat het niet vanzelfsprekend is om te leven in een land waar vrijheid en rechtvaardigheid hoog in het vaandel staan. Dat wij ons realiseren dat het niet zo verschrikkelijk lang geleden is – nu ruim zestig jaar – dat ons land onvrij was; en dat er nog steeds plekken op de wereld zijn waar mensen hun leven niet zeker zijn.

Maar hoe houden we de herinnering vast? Er zijn nationale gedenkplaatsen, standbeelden; we hebben 4 mei. Maar is dat wel genoeg? De bekende Poolse dichteres - Nobelprijswinnares - Wislawa Szymborska schetste een somber beeld in haar gedicht ‘Einde en begin’. Zij vreest desinteresse bij mensen die niet zelf de verschrikkelijkheden hebben meegemaakt. Ik citeer een klein stukje uit dat gedicht:
     ‘Zij die wisten
     waarom het hier ging,
     moeten wijken voor hen
     die weinig weten.
     En minder dan weinig.
     En dan ten slotte zo goed als niets.’
Ik herhaal mijn vraag: maar hoe houden we de herinnering dan vast?

Toen ik dertig jaar geleden mijn schoonvader voor het eerst ontmoette was ik net terug van vakantie in Frankrijk. Hij wilde weten waar ik was geweest. In Bourges, zei ik. Hij verbleekte. In Bourges? Uitgerekend in Bourges, de stad waarnaar hij sinds de oorlog nooit was teruggekeerd maar die o zo dikwijls in zijn gedachten was. Hij vond het moeilijk om over te praten maar in ieder geval werd mij duidelijk dat hij daar verschrikkelijke dingen had meegemaakt. Opgepakt door de Duitsers, in de gevangenis gezet, niet zeker van zijn leven.

Naarmate mijn schoonvader ouder werd, was hij er meer mee bezig. Vertel ons dan toch eens het hele verhaal! – drongen wij aan. Schrijf het desnoods op, als mondeling vertellen te moeilijk is. (Dat is trouwens nog veel beter.) Want wij willen het verhaal weten zodat we beter snappen waarom die ellendige oorlog zo’n invloed op jouw leven heeft.

Uiteindelijk heeft schoonvader Cornelis het hele verhaal opgeschreven. Ik ga er zodadelijk een stukje uit voorlezen; het moment dat hij beschrijft vond plaats in de herfst van 1943. Cornelis, 21 jaar oud, zit dan in de gevangenis van Bourges. Tijdens zijn vlucht naar Engeland was hij in Frankrijk samen met een aantal anderen door verraad opgepakt. Hij had geprobeerd te vluchten omdat hij niet voor de Duitsers wilde werken. (Arbeitseinsatz.) In die gevangenis bevindt hij zich met dertien andere mannen in een cel die bedoeld is voor drie personen. En hij schrijft dan in zijn memoires, ik citeer:
     ‘De willekeur van de Duitsers voor wat de berechting van de gevangenen betrof hield ons dagelijks, maar ook des nachts bezig. Niemand wist immers wie het slachtoffer van die willekeur kon worden? Er waren in die dagen voorbeelden te over. (…) Ik herinner mij een jongeman van achttien jaar. Hij was op een zondagavond in Bourges, bij een razzia op het station, uit de trein gehaald omdat men bij fouillering een geweerpatroon in zijn zak had gevonden. Hij werd overgedragen aan de Gestapo en onmiddellijk als terrorist beschouwd en na een afschuwelijke mishandeling tijdens het verhoor bij ons de cel ingesmeten. Hij had tijdens het verhoor toegegeven dat hij (…) zich bezig hield met verzetsactiviteiten tegen de Duitsers, waaronder met schietoefeningen… Deze bekentenis was voor hem fataal. Hij was verschrikkelijk toegetakeld en zat onder het bloed. Meestal werden terroristen apart in een cel geplaatst, maar waarschijnlijk door gebrek aan ruimte werd hij bij ons ondergebracht. Meer dood dan levend legden we hem op een der kribben en verzorgden hem voor zover mogelijk. (…) Hij leed ondragelijk pijn. (…)
     Na een week werd de jonge man opgehaald voor een tweede verhoor. Hij was volkomen ontredderd. Uren daarna kwam hij terug, wederom afschuwelijk toegetakeld. We konden hem ook niet aan het eten krijgen, hoewel we probeerden van ons karig rantsoen hem wat te laten gebruiken. Hij was volkomen kapot… Korte tijd later werd hij wederom weggehaald en wij hebben diezelfde dag vernomen dat hij was geëxecuteerd. Nog zie ik hem achterom kijken met die wanhopige blik in zijn ogen toen hij ons verliet. We waren een tijd diep onder de indruk. De jongste van ons… een kind nog bijna.’
Geachte aanwezigen, om de herinnering levend te houden aan mensen die de dood vonden in erbarmelijke oorlogsomstandigheden, is er een taak voor ons allen.
Laat hen die de doden gekend hebben vertellen. Vertellen over de mensen en de oorlog. En laat hen die een oorlog nooit van nabij hebben meegemaakt luisteren. Laat hen met aandacht luisteren – om de kaars der herinnering zo lang mogelijk brandend te houden.

Nijmegen, mei 2008 / Carla van Baalen

---------------------------------------------------------

Oorlog veroorzaken we zelf

Overweging, uitgesproken tijdens de herdenkingsdienst in de St. Stevenskerk te Nijmegen op 4 mei 2007 door Prof. Dr. Kees Waaijman, directeur Titus Brandsma Instituut.

Kees Waaijman

In 1931 hield Titus Brandsma een toespraak voor de vredesbeweging. Die toespraak is nog steeds actueel. Vooral vandaag, nu wij allen herdenken die in de oorlogen van de twintigste eeuw zijn omgekomen, en in het bijzonder de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Titus Brandsma was één van hen. Hij leefde voor de vrede, maar stierf door de oorlog. Hij vocht voor de vrijheid, maar werd opgesloten in een concentratiekamp. Hij streed voor de vrijheid, maar hem werd de mond gesnoerd in Dachau. Hij verzette zich tegen het gif van het antisemitisme, maar hij bezweek aan een dodelijke injectie.

Hoe keek Titus Brandsma aan tegen oorlog en vrede? Om meteen maar met de deur in huis te vallen: de oorzaak van de oorlog ligt bij onszelf, in de maatschappij. Niet de politici en de militairen zijn schuldig, maar wijzelf, de samenleving. ‘Als wij de feiten goed bezien, dan moeten wij tot de erkenning komen, dat wij allen, in en door de maatschappij waarin wij leven, de oorlog hebben bevorderd en zo schuldig aan haar staan’. Titus Brandsma spreekt onomwonden wij zijn schuldig: ‘Ja, ik spreek van schuld, de schuld van allen aan de oorlog’.

Maar hoe kan een samenleving nu schuldig zijn? Hoe kan een maatschappij verantwoordelijk worden gesteld? Hoe kunnen wíj de oorzaak zijn van een oorlog? Voor Titus Brandsma is dat heel inzichtelijk. Als een samenleving gebouwd is op keiharde concurrentie, op discriminatie en vreemdelingenhaat op het recht van de sterkste, dan zijn daarmee de kiemen gezaaid voor de oorlog. Een oorlogszuchtige mentaliteit maakt de oorlog maatschappelijk aanvaardbaar. Met de woorden van Titus Brandsma: ‘Ik durf vrij verklaren, dat de oorlog voor een zeer groot deel is toe te schrijven aan het laten gelden van het machtsbeginsel. De hele maatschappij is op strijd ingesteld, en zou men menen dat bij zo’n mentaliteit de felste en meeste brute vorm van een oorlog zou kunnen worden vermeden, als de omstandigheden daartoe prikkelen’? Oorlog is het product van een mentaliteit. Politici en militairen zijn slechts handlangers. Het vraagstuk van oorlog en vrede moet daarom bij de wortel worden aangepakt: bij de mentaliteit die een maatschappij beheerst, bij de spiritualiteit die een samenleving bezielt. Titus Brandsma maakt op dit punt glashelder onderscheid tussen solidariteit en eigenbelang. Solidariteit brengt vrede voort; eigenbelang baart oorlog.

Maar wat is dat, een solidaire maatschappij? Een solidaire samenleving, aldus Titus Brandsma, verstaat zichzelf ‘als middel om elkaar diensten te bewijzen en door uitwisseling van diensten gezamenlijk vooruit te komen. Laten wij ons niet al te egocentrisch opsluiten in onszelf en ons blindstaren op het louter eigenbelang, maar beseffen dat we tot roeping hebben en daarin een groot geluk voor ons bestaat, dat wij anderen gelukkig kunnen maken’.

Elkaar gelukkig maken, is dat geen wereldvreemde prietpraat? Staat Titus Brandsma wel met beide benen op de grond? Het ligt er maar aan hoe je kijkt. Wie de vrede als einddoel wil, zal met solidariteit moeten beginnen: elkaar zien staan, elkaar het licht in de ogen gunnen. Als 50 miljoen doden in de Tweede Wereldoorlog je niet onberoerd laten, als de gruwelijke oorlogen in Azië, Afrika en het Midden-Oosten meer zijn dan versleten tv-beelden, dan zijn liefde, dienstverlening en solidariteit ijzersterke beginselen voor een duurzame vrede. Dan zijn bikkelharde concurrentie, vreemdelingenhaat, ethnocentrisme en het recht van de sterkste geen onschuldige akkefietjes meer. Ze zijn bloedgevaarlijk. Terecht stelt Brandsma: ‘De eigenliefde en de hebzucht zijn de grote kwalen van deze tijd en de diepste oorzaken van de oorlog. Daartegen moeten wij stelling nemen. Dan alleen kunnen wij vruchtbaar vredeswerk verrichten’. Reeds in 1931, niet pas in 1940, ging Titus in het verzet: hij verzette zich principieel tegen de oorlog. Ook al werd hij uitgelachen, want de publieke opinie was in die dagen oorlogszuchtig. Maar Brandsma schaamt zich niet, hij zegt: ‘Men verkondigt openlijk, dat men in de maatschappij met beginselen van vrede en liefde niets begint, dat men in de strijd om het bestaan sterk moet zijn en zich steeds sterker moet maken, omdat de macht van de sterkste het recht schept’. Ook intellectuelen lachen om het vredeswerk: ‘Ik heb zelfs hoogst ernstige hooggeleerde en oprecht christelijke personen horen waarschuwen tegen de huidige vredesactie met een beroep op de geschiedenis, die nu eenmaal klaar en duidelijk zou leren, dat slechts een volk dat weet te vechten, van een tijdperk van bloei en vooruitgang in zijn geschiedenis kan spreken. Het dient tot niets, zegt men, de ware aard van de menselijke natuur te miskennen en daarmee de maatschappij ten prooi te laten aan de slechtste elementen welke zij bevat’. En die ‘slechtste elementen’ zijn zoals altijd: de allochtonen, de andersdenkenden, de gehandicapten en de zwakkeren.

Maar hoe kan een oorlogzuchtige mentaliteit worden gekeerd? Hoe kan een tsunami van geweld worden voorkomen? Ik hoor Titus Brandsma drie dingen zeggen.

Op de allereerste plaats: vrede is een kwestie van spiritualiteit. Het is een geesteshouding. Titus zegt: ‘Wil men de oorlog voorkomen, dan zal het nodig zijn dat de maatschappij zich anders instelt. Er moet een gezondere geest komen in het maatschappelijk leven, gedacht worden aan een meer positieve vredesinstelling in het maatschappelijk leven en daardoor de oorlog in de kiem te smoren’.

Ten tweede: spiritualiteit is inzicht. Daarom vraagt Brandsma zich af: ‘Willen wij niet teveel aan de maatschappij vrede schenken zonder dat wij er ons druk over maken, die maatschappij van inzicht te doen veranderen, dat zij die vrede ook kan aannemen en waarderen’. Vrede is inzicht: doorhebben hoe de oorlog werkt en wegen vinden om die machinerie te ontregelen. Vrede is geen bevlogenheid, maar helderheid van geest.

Ten derde: nodig zijn profeten. Profeten die ons wakker schudden en wakker houden. Titus Brandsma weet van hun bestaan: ‘In alle tijden en bij alle volkeren kennen wij die herauten, die apostelen van de vrede. En ook in onze tijd ontbreken zij niet, gelukkig’.

Damen en heren, Titus Brandsma was zélf zo’n vredesapostel. Tegen het heersende doemdenken in kwam hij op voor de vrede. Koppig als hij was zei hij: ‘Juist het feit dat alom aan de vrede wordt gewanhoopt, dwingt mij, des te luider de vredesboodschap af te kondigen’. Zijn stem klinkt tot op vandaag krachtig en compromisloos. Speciaal in Nijmegen, aan het Keizer Karel Plein nog wel, in het hart van Nijmegen. Daar ligt een plek waar dagelijks wordt gewerkt in zijn geest: het Titus Brandsma Memorial. Daar blijft de stem van de deze grootste Nijmegenaar aller tijden klinken. Daar zal de World Peace Flame branden. Daar zal zijn geestkracht velen blijven bezielen. Wie de toekomst wil, zal het verleden moeten gedenken. Wie de vrijheid wil, moet aan de vrede werken. Wie geen oorlog wil, moet durven staan voor vrede en vrijheid.

Ik dank u voor uw aandacht.

Overweging, uitgesproken tijdens de herdenkingsdienst in de St. Stevenskerk te Nijmegen op 4 mei 2007 door Prof. Dr. Kees Waaijman, directeur Titus Brandsma Instituut.

7-5-2007
---------------------------------------------------------

Overweging uitgeproken tijdens de herdenkingsbijeenkomst in de St. Stevenskerk te Nijmegen op 4 mei 2006 door drs. Wiel P.H. Lenders, directeur Nationaal Bevrijdingsmuseum 1944-1945.

Zeer geachte mevrouw de burgemeester, zeer geacht college, dames en heren,

Toen ik amper een half uur geleden een herdenkingsoverweging uit- sprak bij het monument van Berg en Dal memoreerde ik in een notedop de bewogen geschiedenis van de grensregio in de jaren '40-'45. In een flash-back riep ik daarbij onbewingbaar het bijzondere proza in herinnering van de Oostenrijkse schrijver Joseph Roth. In mei 1925 publiceerde hij een reportage over Kleve in de Frankfurter Zeitung. Hij schreef, ik citeer, "De inwoners hebben ronde gezichten. Ik geloof dat ze zich niet graag druk maken, wat dat betref zijn het net Nederlanders". En hij vervolgde: "Als je leest dat de Nederlanders in de zomer Kleve zo graag bezoeken, maken kwade gedachten plaats voor goede en ben je blij met de goede betrekkingen met tenminste één van onze buurlanden en met de goede smaak van de Neder- landers". Einde citaat. Mooi meegenomen toch, zo'n compliment, we hebben het inderdaad nog steeds over 1925. En hij vervolgde, ik citeer: "Als het pacifisme ergens in het landschap tot uiting komt, dan is het hier. Het is te hopen dat langs deze grens nooit een oorlog uitbreekt. Dit land is gemaakt voor wandelaars, niet voor marcherende soldaten". Einde citaat. 15 jaar later werd er niet meer gewandeld en liep het nationaal-socialistische Duitsland Nederland onder de voet. Weer een paar jaar later, op 7 oktober 1944, werd Kleve met grond gelijk gemaakt. Het was gedaan met de idylle.

Wat er gebeurde was illustratief voor de verwoestingen en ontbe- ringen in grote delen van Gelderland en het gebied van de Niederrhein. De grensregio werd langzaam maar zeker spil en draaipunt in de geschiedenis aan het einde van de Tweede Wereldoorlog; een doorgaans zwaar onderschatte positie, zowel voor het verloop van de oorlog als voor de gevolgen van de burgerbevolking. Het gebied in en rond de steden Arnhem, Nijmegen, Kleve en Wesel werd een fel begeerde strategische locatie in het gevecht om de bruggehoofden over de Waal en de Rijn. Van hieruit werd in februari 1945 het gigantische Rijnlandoffensief ingezet dat uiteindelijk de weg zou banen voor de bevrijding van Gelderland, Nederland en zelfs West-Europa.

De geschiedenis van de grensregio is de afgelopen twee jaar onder- zocht in het inmiddels zo befaamde project "60 jaar Vrijheid". De resultaten werden twee dagen geleden gepresenteerd in het gebouw van de Euregio Rijn-Waal in Kleve. U heeft daar de afgelopen dagen ongetwijfeld het een en ander over vernomen in de media. Een Neder- lands-Duits team van historici, museologen en pedagogen heeft in samenwerking met een 18-tal musea, archieven en aanverwante in- stellingen de grensoverschrijdende geschiedenis in beeld gebracht. Dit gebeurde o.a. door een viertal reizende tentoonstellingen, een sym- posium, diverse publicaties en lesmateriaal voor de ca. 800 scholen in het Euregio-gebied.
De doelstellingen van het project waren klip en klaar: het veiligstellen van en informeren over het cultuur-historisch erfgoed uit de jaren '40, de versterking van de Nederlands-Duitse relaties, het vergroten van de betrokkenheid van jongeren bij oorlogs- en vredesvraagstukken en het uitdragen van de actuele vrijheidsboodschap (lees: de volle breedte van democratie, vrijheid en mensenrechten).

Vandaag op 4 mei herdenken we de slachtoffers sedert het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en herinneren we ons de periode van rechteloosheid en onvrijheid. De nadruk ligt hierbij op de beide kern-begrippen herdenken en herinneren.
Hoe is, dames en heren, vanuit dit perspectief van herdenken en herinneren de winst te duiden van een project als "60 jaar vrijheid"?, dat immers pas 60 jaar na dato uit de startblokken is gegaan.
  1. In de eerste plaats is wat u zou kunnen noemen de 'civil society', zo u wil de burgergeschiedenis, van de grensregio nooit eerder op deze schaal in beeld gebracht en geïntegreerd. Over verborgen geschie- denis gesproken.

  2. In de tweede plaats kunnen we achteraf stellig concluderen wat we vooraf vermoedden: er is 60 jaar lang tussen Duitse en Nederlandse zijde niet of nauwelijks met elkaar gepraat, behalve in termen van stereotypen en cliché's. Er was ook weinig te praten want we ken- den elkaars geschiedenis niet. Die behoefte was er klaarblijkelijk en soms zelfs begrijperlijkerwijze niet. Om het wat ongepolijst te zeggen: "Zij zijn begonnen"; een veelgehoord credo aan de Neder- landse kant. Aan Duitse zijde werd het thema vanwege de pijnlijkheid ervan maar liever genegeerd. Ik heb het in volle Duitse zalen meegemaakt, de onwetendheid: geen flauw idee van wat zich hier direct over de grens had afgespeeld: de 200.000 mensen die in het najaar van 1944 vanuit Arnhem en de Zuid-Veluwe zoom moesten worden geëvacueerd, de naar schatting 60.000 mensen die de Betuwe moesten verlaten toen het gebied door Duitse troepen onder water werd gezet, de ca. 30.000 mensen die weg moesten toen Groesbeek frontplaats werd. En dan heb ik het nog niet eens over de stad Nijmegen met zijn vele slachtoffers en verwoes- tingen. Omgekeerd kan hetzelfde beeld worden geschetst aan de Duitse kant: een apocalyptisch en sinister landschap bezaaid met veld- graven, kadavers, vernielde huizen en legervoertuigen. In deze kennislacune over de nabije internationale regio wordt door de schoolboeken in beide landen niet voorzien, hoe goed ook in hun politiek-militaire geschiedenis, en hoeveel aandacht ze ook in Duits- land al vele jaren schenken aan de holocaust. Concluderend tot zover: nu, juist 60 jaar na dato, was daar het goede moment om als historici toe te slaan: er was afstand tot het verleden gegroeid, er lag genoeg stof op het verleden, de grensstreek in de Tweede Wereldoorlog was rijp voor historische schatting. De burger- geschiedenis van de regio is nu in beeld gebracht, kennis kan voortaan worden uitgewisseld.

  3. Wat vervolgens is bereikt, is dat nadrukkelijk uit de onderzoeks- resultaten van “60 jaar Vrijheid” duidelijk is geworden dat het euregionale thema van de Tweede Wereldoorlog niet is los te zien van de na-oorlogse ontwikkelingen. In meerderlei opzichten:

    a. Allereerst geldt dit het besef dat de welvaart, vrede en vrijheid van de laatste 60 jaar niet uit de lucht zijn komen vallen. Het huidige Europa, of het nu de transnationale of euregionale samenwerking en integratie betreft, is gebouwd op de puinhopen van de Tweede Wereldoorlog. Deze notie mag niet ontbreken in het historisch bewustzijn van de huidige en aankomende generaties. Vooral voor jonge Eureopeanen is kennis van en bezinning op het proces van Eureopese eenwording noodzakelijk, omdat hun toekomst voor een groot deel Europees bepaald zal zijn. Het geschiedenisonderwijs vertoont hierin nog steeds helaas grote hiaten, en dan druk ik mij nog mild uit.

    b. Ook is ons in de vele contacten met scholen duidelijk geworden dat het niet anders meer kan dan dat het vrijheidsbegrip veel directer en doorwrochter met het geschiedenisonderwijs verbonden dient te worden. Het totale aantal slachtoffers van de Tweede Wereldoor- log, wereldwijd, wordt inmiddels geschat op ruim 55.000.000: vermoord, gesneuveld of vermist. We spreken over het grootste conflict in de werldgeschiedenis. De Tai Ping-opstand in China rond 1856 volgt met zijn 30.000.000 slachtoffers op een goede tweede plaats.
    In het geschiedenisonderwijs kunnen de essentiële begrippen als vrijheid, democratie en mensenrechten - ook in hun relatie met de schendingen ervan op grote schaal in de huidige tijd - niet meer ontbreken. Het bondgenootschap dat deze stelling steunt, ook onder de aanwezigen hier, zal groot zijn. In de praktijk valt de coalitie al echter al snel uit elkaar als het gepraktiseerd moet worden in onderwijsprogramma's. Maar het moet nu maar eens lukken. Aan lippendiensten hebben we niets. Ook in de musea moet er nog veel gebeuren. Het Bevrijdingsmuseum wil hierin de komende jaren een grote rol spelen.

    Nog nèt in 1939 gaf Thomas Mann een indrukwekkend boekje uit met de titel "Das Problem der Freiheit". Recentelijk schonk een bewoner uit de Duitse grensstreek het boekje aan het Bevrijdings- museum. Een zeer bijzonder exemplaar dat is gedrukt bij Thieme in Nijmegen. Een citaat hieruit: "Ja wir wissen wieder, was gut und böse ist. Das Böse hat sich in einer Grassheit und Gemeinheit offenbart, dass uns die Augen aufgegangen sind für die Würde und Schönheit des Guten. Wir wagen es wieder, Worte wie Freiheit, Wahrheit und Recht in den Mund zu nehmen; ein Ubermass von Niedertracht hat uns der skeptischen Nüchternheit entwöhnt".
    Om te gedenken, te herinneren en voor wie het wil een relatie te leggen met het heden.
    Ik dank u voor uw aandacht.