Tekst Prof. Dr. Marjan Schwegman

Tekst van Professor Dr Marjan Schwegman, door haar uitgesproken tijdens de bijeenkomst in de Stevenskerk, voorafgaande aan de Dodenherdenking  op 4 Mei 2016.

 

 

Vrijheid versus veiligheid? De geschiedenis van Hans Keilson.

Het is 9 december 1944, zeer vroeg in de ochtend. Verborgen in een nauwe muurkast noteert Hans Keilson in zijn dagboek hoe buiten geschoten wordt, terwijl binnen een klein meisje op de piano toonladders speelt.

 

Wat is er aan de hand? In het holst van de nacht is de Duitse Grüne Polizei met groots machtsvertoon begonnen aan een razzia in Delft om zo veel mogelijk mannen tussen de 17 en 40 jaar oud op te pakken. Zij zullen als dwangarbeiders naar Duitsland worden weggevoerd. Het is inmiddels een bekend scenario:  de grote razzia in Rotterdam van november zit nog vers in het geheugen. Die razzia leverde meer dan 50.000 nieuwe dwangarbeiders op.

 

Keilson is een Duitse Jood die in 1936 met zijn niet-Joodse vrouw Gertrud naar Nederland uitweek om aan de nazi’s te ontkomen.[1] Ingehaald door de Duitse bezetter, leidt hij vervolgens een illegaal bestaan als Dr. Van der Linden. In Delft heeft hij  in 1944 een vast onderduikadres. Daar bevindt zich de schuilplaats, waarin hij op 9 december gespannen luistert naar het onschuldige geklets waarmee zijn onderduikgevers de politie proberen af te leiden.

 

In deze benauwende omstandigheden bedenkt hij plotseling dat hij ook het omgekeerde kan doen van wat verwacht wordt: hij zou zich vrijwillig kunnen aanmelden als dwangarbeider. Dan kan hij – met zijn valse, niet-Joodse identiteit als dekmantel – alsnog arts in Duitsland worden, zoals hij als jongeman van plan was geweest. “Een snellere weg om het beroep binnen te komen is er niet,” noteert hij ironisch.[2]

 

Keilson meldt zich uiteindelijk niet, maar blijft een ondergronds bestaan leiden. In tegenstelling tot zijn beide ouders die in Auschwitz werden vermoord, overleeft hij de oorlog. Hij wordt psychiater en schrijver van romans als ‘In de ban van de tegenstander’, romans waarmee hij pas op zeer hoge leeftijd beroemd zal worden.

 

Waarom haal ik Keilson’s ervaringen in de muurkast vanavond aan? Omdat hij op een voor mij zeer verrassende manier in uiterst benarde omstandigheden voor zichzelf vrijheid schiep. Namelijk door zich voor te stellen dat hij de vijand die hij probeert te ontwijken juist opzoekt, als dwangarbeider en arts in nazi Duitsland.

 

Het Nationaal Comité 4 en 5 mei spoort iedereen aan om juist als de vrijheid onder druk staat, de vrijheid stevig te omarmen.[3] Ja, dat moeten wij doen, zeker nu ons wordt voorgespiegeld dat veiligheid belangrijker is dan vrijheid en dat de overheid desnoods de vrijheid geweld aan moet doen om ervoor te zorgen dat mensen zich veilig voelen. Maar wat betekent het concreet om de vrijheid te omarmen als die onder druk staat?

 

De Tweede Wereldoorlog biedt een onuitputtelijk reservoir van geschiedenissen die dat aanschouwelijk maken. Juist vanwege de koele eerlijkheid waarmee Hans Keilson zichzelf en anderen in zijn dagboek observeert, maakt dit document zo’n indruk. De focus ligt op het effect van de moeilijke externe omstandigheden op mensen en hun onderlinge verhoudingen, niet op die omstandigheden zelf. Terwijl die er in zijn geval toch niet om logen: als opgejaagd Joods wild was hij gedwongen te emigreren naar Nederland. Eenmaal gesetteld, moest hij vervolgens zijn huis, zijn vrouw, zijn dochtertje en zijn ook naar Nederland gevluchte ouders verlaten. Hij moest zijn beroep opgeven en daarmee zijn inkomen, en ging door het leven met een valse identiteit en geschiedenis. Sinds de systematische deportaties van de Joden waren begonnen, was hij bovendien gedwongen zich schuil te houden.[4]

 

Net zoals voor andere beroemde dagboekschrijvers als Anne Frank het geval was, creëerde het bijhouden van een dagboek op zichzelf al de zo broodnodige mentale vrijheid. Voor Anne Frank moest het bij schrijven in haar schuilplaats blijven. Keilson echter, die er niet Joods uitzag, begaf zich willens en wetens constant in de zo gevaarlijke buitenwereld. Zo reist hij geregeld per trein door het hele land om contacten te bezoeken, distributiebonnen af te leveren en andere, niet bij name genoemde activiteiten uit te voeren voor een klein verzetsnetwerk. Eind 1944 schrijft hij dat hij in een ziekenhuis hospiteert bij operaties. Ook bezoekt hij af ten toe zijn vrouw Gertrud, die samen met hun dochtertje in Naarden woont. Ook al is het gevaarlijk, toch kust hij zijn vrouw ten afscheid op het station. Sommige dingen laat hij zich niet afnemen. Met een Joods meisje dat elders zit ondergedoken, maakt hij lange avondwandelingen.

 

Maar het meest spectaculair is een ontmoeting met ‘de vijand’. In het dagboek refereert hij slechts heel kort aan die ontmoeting, maar in zijn herinneringen heeft hij die uitgebreid beschreven.[5] Het gaat om Hannes Razum, met wie Keilson in de jaren ‘20 in Duitsland een opleiding tot gymleraar volgde. Razum is nu door de bezetter in Den Haag aangesteld als regisseur van het Deutsche Theater in den Niederlanden. Als Keilson zijn naam op een reclamezuil ziet staan,  neemt hij contact met Razum op en arrangeert een afspraak in een Haags café. Voor hem weegt het veiligheidsrisico kennelijk niet op tegen het verlangen naar een weerzien. Ook Razum liet zich, zo schrijft Keilson, leiden door eenzelfde “duistere impuls”, want hij stemt in met een ontmoeting. Het weerzien stelt Keilson niet teleur. Ook al moet over veel worden gezwegen, de vroegere kameraadschap is nog steeds voelbaar.

 

Met deze ontmoeting bracht Keilson dus een gedachte in praktijk waarmee hij tijdens de razzia van Delft ook speelde: hij deed het omgekeerde van wat van iemand in zijn positie werd verwacht. Zo blijft hij vrij. Zoals hij er in zijn dagboek over schrijft, lijkt het alsof dit voor hem vanzelfsprekend was. Dat hij, een onderduiker, niet steeds in zijn schuilplaats bleef, moet de lezer opmaken uit de ontmoetingen in café’s, de observaties over wat hij onderweg zag, bezoeken aan de dierenarts, een dominee, zijn vrouw Gertrud, vrienden en vriendinnen.

 

In zijn herinneringen reflecteert hij wel op zijn handelwijze, zij het zeer kort. Hij schrijft:

 

“Er zijn extreme situaties waarin men in het hol van de leeuw juist veilig is. Zo reisde ik door het land naar de plekken waar de organisatie me heen stuurde. Ik droeg geen wapen, ik heb nooit met een wapen leren omgaan. Daardoor voelde ik me buiten mijn huis in Delft steeds veiliger.”[6]

 

Uit niets blijkt dat Keilson een roekeloze waaghals was. Hij lijkt alles zorgvuldig af te wegen. Zo weerhoudt hij zichzelf van al te frequent contact met zijn vrouw en kind om hen niet in gevaar te brengen. Wat hem kenmerkt is dat hij probeert om ongeacht de beperkende omstandigheden te leven op een manier die hem past: “Ieder moet”, zo schrijft hij, “zijn eigen deuntje zingen! Ik het mijne.”[7] Scherp stelt hij vast dat het in zijn wezen de tegenstelling is die productief maakt. Vandaar, denk ik, zijn voorliefde voor omkeringen en voor ongehoorzaamheid. “Ongehoorzaamheid tegen”, zoals hij schrijft,  “de gangbare afloop van een gebeurtenis, zoals men het verwacht.” [8]

 

Keilsons oorlogsgeschiedenis laat ons zien dat veiligheid en vrijheid niet aan elkaar tegengestelde, objectieve begrippen zijn. Ook in uiterst onveilige en onvrije omstandigheden is het mogelijk je vrij en veilig te voelen. Juist in tijden als deze is het hard nodig om die mogelijkheid aanschouwelijk te maken. De romans, herinneringen en dagboekaantekeningen van mensen als Hans Keilson zijn daarbij een inspirerend houvast.

 

Marjan Schwegman

 

[1] Strikt genomen was Gertrud Pfeiffer-Manz niet zijn vrouw. De Neurenberger wetten maakten een ‘gemengd’ huwelijk onmogelijk, daarom waren Hans en Gertrud in Duitsland niet getrouwd. Ook in Nederland bleek trouwen niet mogelijk. Na de oorlog zijn zij in Nederland alsnog getrouwd.

[2] Hans Keilson, Dagboek 1944. (Van Gennep Amsterdam, 2014) p. 125.

[3] Tamar de Waal, De vrijheid omarmd. Jaarthema 2016 van het Nationaal Comité 4 en 5 mei. www.4en5mei.nl

[4] Zie voor een korte levensbeschrijving van Hans Keilson de inleiding bij Dagboek 1944 door Marita Keilson-Lauritz, Dagboek 1944, pp. 7-14.

[5] Hans Keilson, Daar staat mijn huis. Herinneringen. (Van Gennep Amsterdam, 2011) pp. 94-101.

[6] Hans Keilson, Daar staat mijn huis, p. 88.

[7] Hans Keilson, Dagboek 1944, p. 132.

[8] Ibidem, p. 125.

Wat is er nog meer te doen:

Kinderbevrijdingsfestival

Traditiegetrouw organiseert het 4 en 5 mei comité Nijmegen en De Lindenberg voor de kinderen […]

Herdenkingsconcert 4 mei

  Elk jaar biedt 4 en 5 mei Nijmegen na de kranslegging op het Trajanusplein […]

Herdenkingsconcert 4 mei

  Herdenkingsconcert 4 mei   Elk jaar bieden we  na de kranslegging op het Trajanusplein […]